Aansnijden van woonuitbreidingsgebieden moet mogelijk blijven

Deel: LinkedIn

De bevolking in Vlaanderen groeit en zal ook de komende jaren blijven toenemen. Al deze mensen hebben een onderdak nodig.

De Vlaamse Regering heeft de ambitie om tegen 2020 93.000 extra woongelegenheden te realiseren, voor een groot deel door verdichting, renovatie en hergebruik. Een duurzame ruimtelijke ontwikkeling is nodig om de open ruimte te vrijwaren en ook de klimaatsveranderingen dwingen ons tot passende maatregelen.

Het actief grondbeleid situeert zich op twee sporen. Enerzijds wilt men meer kavels in de woonzone op de markt brengen, anderzijds wilt men woonuitbreidingsgebieden verantwoord aansnijden. Voor de realisatie van deze woonuitbreidingsgebieden zou gezorgd worden voor een transparante en eenvoudige procedure, aldus de regeringsverklaring.

De totale oppervlakte onbebouwd woonuitbreidingsgebied in Vlaanderen bedraagt momenteel zo'n 12.781 hectare. Verder is er ook nog ruim 40.000 hectare woongebied beschikbaar in Vlaanderen. Voor Limburg gaat het respectievelijk om 2.919 hectare woonuitbreidingsgebied en 8.800 hectare woongebied.

In de conceptnota ‘Reservegebieden voor wonen’ konden we alvast lezen dat men de woonuitbreidingsgebieden in Vlaanderen wilt onderverdelen in een positieve en een negatieve lijst. Overstromingsgevoeligheid is een criterium voor opname op de negatieve lijst. Het feit dat een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een gebied aanmerkt als te ontwikkelen op korte termijn, is volgens diezelfde nota ook een criterium voor opname op de positieve lijst. Momenteel is het echter nog altijd wachten op een decretale basis.

Lydia Peeters: “Ik begrijp dat er nog een ruim aanbod is in woongebied, maar of dat aanbod er in realiteit ook effectief is, is een andere zaak. In woongebied liggen ook een aantal kavels die moeilijk onsluitbaar of in watergevoelig gebied liggen. Het is dus niet zo dat kavels gelegen in woongebied, straks allemaal bebouwbaar zijn. Daarom pleit ik ook voor het behoud van het kunnen aansnijden van woonuitbreidingsgebieden, minstens dat lokale besturen de beoordeling kunnen maken over wel of niet aansnijdbaar. We hebben deze woonuitbreidingsgebieden wel degelijk nodig voor bijkomende woongelegenheid.

Ook de vastgoedsector hield terecht een pleidooi om de ruimtelijke boekhouding zoals die werd vooropgesteld in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, te handhaven. De sector heeft in het verleden ook al de vrees geuit dat als men bestaande woonuitbreidingsgebieden, waarvan men al heeft aangegeven dat men die wil aansnijden, op een negatieve lijst zet, het aanbod aan woongebied daalt.

De intentie is meer te doen met minder ruimte en kernversterkend te werken via inbreidingsprojecten en hoogbouw. Daarbij zal vooral de visie van de lokale besturen worden gehanteerd, wat logisch is aangezien zij zelf bij de opmaak van hun structuurplan destijds een duidelijke afweging hebben gemaakt van wat al dan niet aansnijdbaar is of zorgt voor een verdichting. Daarom moeten we nu de kans grijpen om een duidelijk traject uit te stippelen voor woonuitbreidingsgebieden, waarvoor in de conceptnota de eerste aanzet is gegeven.

Wat nu prioritair is, is dat we zo snel mogelijk de criteria krijgen voor de gebieden die al dan niet aangesneden kunnen worden. De lokale besturen zijn deskundig genoeg om de juiste beslissingen te nemen en ik hoop dat deze ten volle worden gerespecteerd.”