Het Departement Omgeving hanteert een intern beroepenkader om te beslissen tegen welke omgevingsvergunningen van lokale besturen het beroep instelt. Dat kader werd binnen de administratie zelf ontwikkeld, zonder afzonderlijk formeel traject met externe stakeholders. Bovendien bevat het naast juridische criteria ook beleidsmatige prioriteiten en wordt het in eerste instantie door de administratie zelf geëvalueerd en bijgestuurd. Dat blijkt uit een parlementaire vraag van 5 juni jl. van Vlaams Parlementslid Lydia Peeters (Anders.). “Dat een administratie waakt over de correcte toepassing van de wet is logisch. Maar als beleidsmatige criteria bepalen wanneer diezelfde administratie een vergunning aanvecht, moet glashelder zijn wie die criteria vastlegt en waarop ze gebaseerd zijn. Vergunningenbeleid moet democratisch en transparant worden bepaald, niet via de achterdeur van een intern afwegingskader,” zegt Peeters.
Lydia Peeters trok eerder al meermaals aan de alarmbel over beroepen die door Vlaamse administraties en adviesinstanties worden ingesteld tegen vergunningen die door lokale besturen zijn verleend. Daarom vroeg ze minister van Omgeving Jo Brouns meer duidelijkheid over het beroepenkader dat het Departement Omgeving daarvoor gebruikt.
Dat beroepenkader bepaalt wanneer de leidend ambtenaar het opportuun vindt om beroep aan te tekenen. Alle relevante vergunningsbeslissingen worden daarvoor vandaag digitaal gescreend. Het huidige kader focust daarbij onder meer op het terugdringen van ruimtebeslag, het behoud van open ruimte en agrarisch gebied, water en klimaat en de cumulatieve effecten van projecten.
Opvallend is volgens Peeters dat die criteria niet allemaal dezelfde juridische grondslag hebben. Minister Brouns bevestigt dat ze deels gebaseerd zijn op juridische verplichtingen en deels voortvloeien uit beleidsmatige prioriteiten. Het kader werd binnen de administratie ontwikkeld als intern instrument voor de leidend ambtenaar. Voor de vaststelling ervan werd geen afzonderlijk formeel traject met externe stakeholders georganiseerd.
Bovendien wordt het beroepenkader periodiek aangepast aan regelgeving, rechtspraak én beleidsprioriteiten. Die evaluatie gebeurt volgens Brouns “in eerste instantie administratief”, met afstemming op beleidsniveau waar dat relevant is. Volgens de minister vormt het kader zelf geen rechtsnorm en worden de criteria niet automatisch toegepast.
Voor Peeters is net daarom maximale transparantie noodzakelijk. Een beroep van de Vlaamse administratie kan een lokaal verleende vergunning opnieuw ter discussie stellen en een project vertragen. “Als een gemeente of provincie na een volledige procedure een vergunning verleent, moet een beroep door de Vlaamse administratie gestoeld zijn op duidelijke regels. Niet op beleidsmatige criteria waarvan de administratie zelf mee bepaalt hoe ze worden ingevuld en bijgestuurd. Anders dreigt de administratie tegelijk scheidsrechter én speler te worden.”
Dat er ruimte is voor meer rechtszekerheid, blijkt volgens Peeters ook uit het antwoord van de minister zelf. De minister laat weten dat wordt onderzocht of bepaalde aspecten, met name rond zonevreemde functiewijzigingen, beter kunnen worden verduidelijkt of aangescherpt in de regelgeving. Dat moet volgens hem interpretatieverschillen beperken en een meer uniforme toepassing garanderen.
De Vlaamse regering moet kritisch bekijken wanneer haar eigen administraties nog beroep moeten kunnen instellen en op basis van welke criteria. “We willen vergunningen sneller, eenvoudiger en rechtszekerder maken. Dan moeten we vermijden dat de overheid na een lange procedure zelf opnieuw een extra hindernis opwerpt op basis van eigen beleidsmatige afwegingskaders. Wat juridisch noodzakelijk is, leggen we helder vast. Wat louter een beleidskeuze is, moet democratisch worden beslist. Zo ontvet je procedures en geef je burgers, ondernemers én lokale besturen opnieuw zekerheid,” besluit Peeters.
Delen op