Bevraging woonreservegebieden: geen uitstel impliceert geen actualisatie

Deel: LinkedIn

​In de beleidsverklaring van de Vlaamse Regering lezen we dat het de ambitie is om tegen 2020 93.000 extra woongelegenheden te realiseren voor een belangrijk deel door verdichting, renovatie, en hergebruik.

Ook is er sprake van een actief grondbeleid en dit op twee sporen: meer kavels in de woonzone op de markt brengen en woonuitbreidingsgebieden verantwoord aansnijden. Voor de realisatie van deze woonuitbreidingsgebieden zorgen we voor een transparante en eenvoudige procedure, zo lezen we in de regeringsverklaring.

Op 8 mei 2015 keurde de Vlaamse regering een conceptnota goed inzake de opmaak van een positieve en een negatieve lijst voor de woonreservegebieden. Men zou tevens een conceptnota “instrumenten voor woonreservegebieden” opmaken. Deze instrumenten zijn van belang om woonontwikkelingen te stimuleren en vergoedingen vast te leggen voor gebieden die niet meer ontwikkeld kunnen worden.

Van mei 2015 tot juni 2017 bleef het stil rond de woonreservegebieden: geen instrumenten, geen lijsten, en bij vragen telkens het antwoord dat er eerst een instrumentendecreet zou volgen.

Twee jaar stilte… Tot begin juni…

Op 9 juni 2017 kregen alle lokale besturen een schrijven met als titel “bevraging naar aanleiding van de voorbereiding van een positieve en negatieve lijst voor de woonreservegebieden.” Een opname in de negatieve lijst zal tot gevolg hebben dat het gebied een nieuwe bestemming krijgt als gemengd ‘open ruimte gebied’ zeg maar groen gebied. De bevraging gebeurt online. Er wordt gevraagd per woonreservegebied uitspraak te doen over opties over het al dan niet aansnijden en een motivering op te geven ‘bij voorkeur vanuit een combinatie van locatiebepalende ontwikkelingsprincipes in het Witboek BRV, waarvan de belangrijkste: ‘knooppuntwaarde en voorzieningenniveau, fysisch systeem, verweven waar het kan, scheiden waar het moet, energie-uitwisseling ruimtelijk stimuleren.’

Deze brief lokte heel wat reacties uit en gaf aanleiding tot 4 actuele vragen in de plenaire vergadering van 14 juni 2017. Hier antwoordde Minister Schauvliege nog dat gemeenten die tot een echte actualisering willen komen hiervoor wellicht meer tijd nodig hebben, en die tijd ook kunnen krijgen. Ze gaf tevens aan dat ze werkte aan het instrumentendecreet en dat daarin de juiste hefbomen zullen zitten.

Ook VVSG gaf aan dat de reactietijd extreem kort en niet realistisch is, stelde zich vragen bij de gevolgen voor gemeenten en had bedenkingen bij de verwijzing naar de principes in het witboek BRV, gezien dit geen beslist beleid is. VVSG vroeg en kreeg een overleg. Helaas met slecht nieuws. Er wordt nu plots geen uitstel voor het beantwoorden van de bevraging verleend.

Ondanks de toezegging voor overleg en eventueel uitstel voor lokale besturen, ontvingen alle lokale besturen een email van het departement Omgeving met de mededeling dat er geen uitstel zal volgen en alle lokale besturen dienen te antwoorden voor 7 juli.

Vlaams Volksvertegenwoordiger Lydia Peeters, is van oordeel dat dit niet kan. “Het is niet aan de ambtenaar ruimtelijke ordening of het schepencollege om een visie uit te werken over het al dan niet aansnijden van woonreservegebieden. Dit is een werk van lange adem, met inspraak en overleg. Elk lokaal bestuur deed dit bij de opmaak van hun eigen structuurplannen. Elk lokaal bestuur zal dit straks opnieuw doen bij de opmaak van beleidsplannen. Ook dat is een nieuw democratisch proces dat dient goedgekeurd door de gemeenteraad en waar ook de Gecoro en andere instanties zich dienen uit te spreken.”

Tenzij de Minister gewoon en louter een oplijsting wil van dat wat in alle lokale structuurplannen zit – hetgeen ze overigens weet- is de termijn voor een actualisatie over welke woonreservegebieden al dan niet kunnen aangesneden worden, veel te kort en niet democratisch. Bovendien zijn de gevolgen voor grondeigenaars – omzetting naar open ruimtegebied / groengebied – toch ingrijpend.

Dit is de zoveelste procedure zonder echte inspraak. Tevens is er nog steeds geen globaal kader, noch een vergoedingsregeling, noch rechtszekerheid. Ik ben dan ook niet te spreken over deze manier van werken“, besluit Peeters.