Goedkeuring nieuw bodemdecreet

Deel: LinkedIn

Het ontwerp van decreet wijzigt het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, artikel 38 van het Materialendecreet en heft een aantal bepalingen van VLAREBO op.

Naast inhoudelijke wijzigingen, bevat het deregulering, administratieve vereenvoudiging, lastenvermindering en juridisch-technische aanpassingen. Het ontwerp van decreet werd goedgekeurd in de plenaire vergadering van 29 november 2017.

Vlaams volksvertegenwoordiger Lydia Peeters licht toe:

De eerste wijziging betreft de invoering van een verplicht bodemonderzoeksmoment voor nog niet onderzochte gronden met potentieel historische bodemverontreiniging, en daaraan gekoppeld de mogelijkheid tot vrijstelling van die onderzoekplicht voor particulieren. Om de doelstelling van onderzoek en bodemsanering van de gronden met historische bodemverontreiniging tegen 2036 te realiseren, moet worden voorzien in een doelmatig instrument ten aanzien van nog niet onderzochte risicogronden. Vandaar het voorstel om een specifieke bodemonder-zoeksplicht in te voeren met die gronden als voorwerp. Aangezien de doorloopfa-se van een oriƫnterend bodemonderzoek tot de werken zelf tot acht jaar kan duren, is het van belang tegen 2028 de bodemonderzoeken afgerond te hebben.

De tweede wijziging is de afschaffing van de veralgemeende conformverklaring van bodemonderzoeken en de auditing van de erkende bodemsaneringsdeskun-digen. De OVAM stelt vast dat de ervaring en kennis op het terrein enorm zijn toegenomen, wat blijkt uit de kwaliteit van de bodemonderzoeken. Mede met het oog op de efficiƫnte inzet van overheidsmiddelen, wordt daarom voorgesteld om de noodzaak op de heffen voor de OVAM om elk bodemonderzoek aan een conformiteitsonderzoek te onderwerpen. De veralgemeende conformiteitsbeoor-deling van de bodemonderzoeken wordt verlaten. De OVAM zal niet langer standaard elk bodemonderzoek beoordelen op zijn technische conformiteit. Zij behoudt wel de mogelijkheid om die conformiteit te beoordelen, preciseert de minister.

Een derde punt betreft de optimalisering van de instrumenten voor de sectorfondsen. Om de oprichting van nieuwe sectorale saneringsfondsen en dus nieuwe bodemsaneringsorganisaties te stimuleren, is een aanpassing van de bodemwetgeving rond sectorfondsen en de daarmee verband houdende verplichtingen noodzakelijk. Er wordt voorgesteld om de exploitanten van de sectoren waarvoor een bodemsaneringsorganisatie is opgericht, niet langer te verplichten om zelf driejaarlijks een bodempreventie- en bodembeheerplan op te stellen. Dit wordt vervangen door de verplichting voor de erkende bodemsane-ringsorganisatie om een algemeen bodempreventieplan voor de betreffende sector op te maken, dat als leidraad kan dienen. Verder wordt voorgesteld om de regeling over de erkende bodemsaneringsorganisaties op een aantal punten aan te passen door een minder strikte invulling van de representativiteitsvereiste. De representativiteitseis moet flexibel worden ingevuld, rekening houdend met de eigenheden van de betrokken sector. Ten slotte is er ook nog een wijziging van de subsidieregeling voor de erkende bodemsaneringsorganisaties.

De vierde belangrijke wijziging is de inkanteling van het gebruik van bodemmaterialen (bagger- en ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib) in de regeling over het gebruik van uitgegraven bodem van het Bodemdecreet en het VLAREBO. Bodemmaterialen zijn in aard en samenstelling identiek en hebben bij hun verdere verwerking een vergelijkbare milieu-impact. Naargelang de manier waarop deze materialen aan de bodem onttrokken worden, spreekt men van uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie, grondbrij of bentonietslib. Al deze materialen zijn echter in oorsprong bodem en vanuit het standpunt van een duurzaam materialenbeleid is het aangewezen te streven naar een gelijkvormig beschermingskader voor deze materialen. De inkanteling zorgt ook voor een kwaliteitsborgingssysteem. De economische gevolgen zijn beperkt. De rechtszekerheid daarentegen verhoogt omdat alle vrijkomende stromen tot op de plaats van gebruik opgevolgd worden in het kader van de traceerbaarheidsprocedure.