​Inspraak lokale besturen bij aansnijden woonuitbreidingsgebieden

Deel: LinkedIn

“De Vlaamse Regering heeft het voornemen gemaakt om tegen 2020 93.000 extra woningen te realiseren. Daarvoor moeten er voldoende kavels op de markt komen en de 13.748 hectare niet-bebouwd reservegebied voor wonen zal hierbij van pas komen.

In de conceptnota ‘Reservegebieden voor wonen’ die focust op verdichting, renovatie, hergebruik en het op de markt krijgen van meer kavels in woongebied, kunnen we onder andere lezen dat de minister de woonreservegebieden in Vlaanderen wilt onderverdelen in een positieve en een negatieve lijst.

Het is begrijpelijk dat op de negatieve lijst bijvoorbeeld reservegebieden komen die in een overstromingsrisicogebied liggen en dat we meer willen doen met minder ruimte en kernversterkend willen werken via inbreidingsprojecten. Mijn vraag om uitleg aan minister Schauvliege in de commissie leefmilieu op 23 februari, was specifiek welke indicatoren gebruikt worden om woonreservegebieden onder te verdelen in twee lijsten en of er daarbij inspraak is van de lokale besturen?

De minister kon me bevestigen dat voor de conceptnota van de Vlaamse Regering wat de negatieve lijst betreft, vooral de visie van de lokale besturen zal worden gehanteerd. Het gaat om overstromingsgevoelige gebieden, de ligging in een speciale beschermingszone (SBZ) of in duinengebied en het gebrek aan kernversterkend of inbreidingsgericht karakter. Met dit laatste wordt vooral bedoeld wanneer het gebied niet paalt aan woongebied of niet ontsloten is. Bij het opmaken van een positieve lijst wordt dan ook rekening gehouden met bestaande beleidsuitspraken, dus ook de visie die de lokale besturen ontwikkeld hebben in de gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen.

De conceptnota stelt voorop dat als een gebied zou worden opgenomen op de negatieve lijst, de actualiteit van die optie zal worden afgetoetst bij de gemeenteraad en de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening (GECORO). De minister benadrukte hierbij nogmaals dat de lokale autonomie in acht wordt genomen, mits goede criteria die op Vlaams niveau bepaald zijn. De uitwerking zal aldus in samenspraak gebeuren en de decretale basis die nodig is zal verder worden uitgewerkt.

Lydia Peeters is alleszins zeer blij te horen dat minister Schauvliege de lokale besturen nauw wilt betrekken. “Het is een logische werkwijze omdat heel wat lokale besturen zelf bij de opmaak van hun structuurplan destijds een duidelijke afweging hebben gemaakt van wat mogelijk aansnijdbaar is en wat niet aansnijdbaar is of niet zorgt voor een verdichting. We moeten dus in samenspraak bekijken waar we woongebieden optimaal kunnen invullen en niet zonder meer beslissen om eerst alle woongebieden aan te snijden en dan pas woonreservegebieden. Het is mijn mening dat we dat ad hoc in de concrete situaties moeten bekijken, rekening houdende met de mobiliteit, het klimaat en de open ruimte. Willen we die 93.000 bijkomende woningen realiseren, dan zal dat sowieso via inbreiding en renovatie moeten gebeuren, maar ook via een aantal goedgelegen woonuitbreidingsgebieden. “