Pleidooi tegen verplichte samenwerking in Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV)

Deel: LinkedIn

​Onlangs werd een werktekst voor het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen opgemaakt en bezorgd aan alle lokale besturen. De werktekst heeft als doel reflecties en adviezen te genereren en bevat geen definitief beleidsmatig standpunt.

Op basis van de ingezamelde adviezen en resultaten zal het document verder worden vervolmaakt, waarna de Vlaamse Regering het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen definitief zal vaststellen, wat dan in 2017 zal resulteren in een definitief Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.

Vlaams parlementslid Lydia Peeters ondervroeg minister Schauvliege in de commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn van 15 december 2015 naar de sterke focus die in de werktekst gelegd wordt op regionale samenwerkingsverbanden.

In de werktekst wordt aangegeven dat Vlaanderen in eerste instantie zijn trekkende rol bij gebiedsontwikkeling opgeeft en dat gebiedsontwikkeling zo veel mogelijk lokaal moet worden getrokken. Gemeenten en provincies krijgen daarom het initiatiefrecht om binnen het hoger beleidskader de gebiedsontwikkeling op gang te trekken.

Daarnaast wordt er in de werktekst enorm gefocust op regiovorming als opstap naar het ontwerp van BRV. Ook de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) heeft in haar nieuwsbrief RONET opgemerkt dat de regionale aanpak heel veel aandacht krijgt in die werktekst. Zo staat er bv. letterlijk te lezen: “Elke gemeente in Vlaanderen zal zich moeten aansluiten in één regionaal samenwerkingsverband. Het Vlaams ruimtelijk beleid faciliteert de totstandkoming van regionale samenwerkingsverbanden om deze in beleidskaders te erkennen als het vehikel met een gemeenschappelijke ruimtelijke ontwikkelingsopdracht.”

We lezen ook nog dat, met het oog op dat samenwerkingsverband, het Vlaams ruimtelijk beleid een verkenner op pad zal sturen om de bestaande regionale samenwerkingsverbanden in kaart te brengen, om vervolgens in beeld te brengen welke regio’s een geïntegreerd en gebiedsgericht ruimtelijk ontwikkelingsbeleid zullen voeren. Tot slot wordt zelfs gesteld dat er hieraan een ontradend beleid wordt gekoppeld, door gemeenten die louter zelfstandig te werk willen gaan, geen bijkomende ontwikkelingen te gunnen, mits voorgedragen aan en goedgekeurd door de Vlaamse Regering. “Dit kan absoluut niet”, aldus Lydia Peeters.

Verder pleitte Lydia ervoor de lokale besturen via een schriftelijke enquête te vragen hun input te leveren over de werktekst, aangezien er slechts een magere opkomst was op de provinciale rondetafelgesprekken.

De minister antwoordde dat ze zeker wilt bekijken of ze de werktekst op een andere manier onder de aandacht kan brengen bij de lokale besturen, misschien met een mail of een rondzendbrief. Hoe meer inspraak, hoe liever, zodat er een ruim draagvlak gecreëerd kan worden om ervoor te zorgen dat iedereen mee is met het BRV dat men graag in 2016 wil afronden.

Positief is dat de minister zich van het verhaal distantieerde dat gemeenten verplicht zouden worden om in een intergemeentelijk samenwerkingsverband te stappen en dat gemeenten die dat niet willen, geen verdere ontwikkelingen kunnen realiseren. Blijkbaar is dat niet de bedoeling, hoewel de werktekst dat wel heel erg liet uitschijnen.

Het antwoord van de minister is op zijn minst een voorlopige geruststelling. Lydia beaamt dat samenwerking positief kan zijn, maar het mag geen puur administratieve, ambtelijke samenwerking zijn. Een bottum-op benadering is essentieel, alsook de autonomie van lokale besturen. In die hoedanigheid zal Lydia dit proces dan ook blijven bewaken in het traject naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.