Tijdelijke Natuur, een win-win voor iedereen

Deel: LinkedIn

Naar aanleiding van een schrijven dat ik mocht ontvangen van de voorzitter van de Limburgse werkgeversorganisatie VKW Limburg, stelde ik in de commissie leefmilieu van 20 juni 2017 een vraag over de juridische mogelijkheid voor ‘Tijdelijke Natuur’.

VKW Limburg is van mening dat ze met het concept ‘Tijdelijke Natuur’ een win-winsituatie kan betekenen voor zowel de natuurontwikkeling als de bedrijven zelf. De juridische mogelijkheid voor ‘Tijdelijke Natuur’ zou enerzijds leiden tot meer natuur en groen en anderzijds rechtszekerheid bieden voor onze bedrijven.

Wat is ‘tijdelijke natuur’?

Met het concept ‘Tijdelijke Natuur’ krijgen eigenaars en bedrijven de zekerheid dat zij de natuur op hun voorlopig ongebruikte percelen mogen laten ontwikkelen, maar met de garantie dat dit ook weer mag worden weggehaald zodra het braakliggend terrein zijn functie van bedrijventerrein opneemt. Op die manier kunnen dieren en planten zich ongestoord ontwikkelen zolang het terrein nog niet economisch werd ontwikkeld. Wanneer bedrijven zeker zijn dat hun voor bedrijvigheid bestemd terrein nadien niet wordt ingepalmd als gevolg van spontane natuurontwikkelingen, zullen zij graag bereid zijn die natuur te laten ontwikkelen of er zelfs in te investeren.

Huidige regelgeving en overleg

De minister benadrukte in de commissie dat ze voorstander is van het concept ‘Tijdelijke Natuur’, maar zegt dat er al een expliciete verankering in onze natuurwetgeving zit. Er moet een afwijking worden gericht aan het Agentschap Natuur en Bos (ANB) om de beoogde ‘tijdelijke natuur’ te mogen verwijderen binnen een in de vergunning bepaalde periode.

Intussen heeft de minister ook overlegd met een brede groep van stakeholders. Dat overleg gebeurde in samenwerking met The Shift, een netwerkorganisatie die zo’n 350 bedrijven, NGO’s en andere organisaties verenigt om duurzame cocreaties en businessmodellen te ontrollen. Het overleg heeft alvast geleid tot een verduidelijking van het concept en de beslissing om de omzendbrief aan te aanpassen, aldus de minister. De juridische knelpunten blijven wel bestaan in het geval er zich een Europees beschermde soort vestigt die in een ongunstige staat van instandhouding verkeert. Als zich daar zo’n soort vestigt, dan kun je daarvoor in principe wel een oplossing vinden, maar dan zal er verplichting zijn tot compenseren.

‘Tijdelijke Natuur in de praktijk’

Om het concept effectief in de praktijk toe te passen, zijn concrete aanvragen nodig van potentiële uitvoerders van ‘Tijdelijke Natuur’. Dergelijke aanvragen zijn er tot nog toe echter niet geweest. Vermoedelijk is het de vrees voor eventuele repercussies nadien die verklaart waarom er tot op heden nog geen concrete aanvragen zijn binnengekomen.

Aanbevelingen aan de minister

Lydia Peeters is dan ook van mening dat aangezien er geen aanvragen binnenkomen, het belangrijk is dat die omzendbrief er komt. Op die manier kunnen de beleidslijnen verder worden uitgezet en kan er rechtszekerheid worden gegeven om een echt draagvlak te creëren voor dit instrument. Een juridisch kader met convenanten of afspraken zou het concept ‘Tijdelijke Natuur’ mogelijk moeten maken. Er zijn tevens heel wat milieuspecialisten die daaromtrent al onderzoek hebben gedaan. Daar moet men rekening mee houden en bekijken wat er eventueel mogelijk is.

“Als ik zo iedereen hoor, is er wel degelijk een groot draagvlak voor het verder uitwerken van het concept van ‘Tijdelijke Natuur’. Het kan een positief verhaal zijn, om de klassieke zwart-wittegenstellingen tussen natuur en economie uit de wereld te helpen”, besluit Lydia Peeters.

In bijlage vindt u het verslag van de besprekingen in de commissie van 20 juni.